Pagina's

donderdag 5 januari 2012

Musashi - het boek van de Leegte




Musashi Miyamoto - zelfportret
 
Ook bij beoefenaars van de weg van Heiho zijn er die denken dat wat zij in hun ambacht niet kunnen bevatten, Ku is. Dat is niet het ware ku.
Om als krijger het pad van Heiho te bereiken moet je je intens verdiepen in andere krijgskunsten en zelfs niet een beetje afwijken van het pad van de krijger.
Verdiep je met een bedaarde geest dag na dag, uur na uur in de weg. Polijst je hart en geest en scherp je vermogens om te kijken en om te zien. Wanneer je geest niet langer bewolkt is, wanneer de wolken van verwarring zijn opgeklaard, dan is er het ware niets (Ku).
Totdat je het ware pad realiseert, of het nu om de weg van Buddha gaat of meer in algemene zin, zul je menen dat dingen correct zijn en in orde. Echter, als we naar de dingen objectief kijken, vanuit het inzicht in de wetten van de wereld, dan zien we vele opvattingen die afwijken van de ware weg.
Ken deze geest door en door, met oprechtheid als grondslag en de ware geest als weg.
Pas Heiho breed toe, juist en open.
Op deze wijze zul je over dingen nadenken in brede zin en, Ku nemend als de weg zul je de weg zien als Ku.
In Ku is er deugd en geen kwaad. Wijsheid bestaat, principe bestaat, de weg bestaat, de geest is Ku.
De twaalfde dag van de vijfde maand in het tweede jaar van Shoho. (1645)
Miyamoto Musashi

Een van de vele schilderijen die Musashi maakte van Daruma (Bodhidarma)

De legendarische samurai / ronin Miyamoto Musashi (Takezo Shimmen) leefde van ongeveer 1580 tot 1645. Hij kreeg grote bekendheid om zijn vaardigheid met twee zwaarden, maar was even vaardig met tal van andere wapens. Hij is daarnaast minstens zo beroemd geworden om zijn kunstwerken.

Tom Verhoeven
Auvergne, winter 2012

Shu Ha Ri


Kanji voor Shu Ha Ri
 Shu Ha Ri is een klassiek principe dat op uitmuntende wijze het proces schetst van leren, van het zich eigen maken van een kunst of vaardigheid. Het wordt toegeschreven aan de zeventiende eeuwse samurai Sekiun Harigaya Usai. Oorspronkelijk had het betrekking op de vaardigheden van de samurai, maar tegenwoordig wordt het als van toepassing gezien op alle traditionele Japanse kunsten.
Shu Ha Ri schetst geen lineaire vooruitgang, maar neigt meer naar een spiraalvormige trapsgewijze groei. Hierdoor komt de leerling in zijn ontwikkeling telkens weer Shu Ha Ri tegen, maar telkens op een ander niveau.
Shu
Het karakter Shu kan ook uitgesproken worden als "omamori". Een omamori is een amulet zoals dat door een Shintopriester gemaakt wordt en die de drager of de ruimte waarin de omamori geplaatst is een jaar lang beschermd tegen kwalen en ongeluk. In Japan ziet men in auto's vaak zo'n omamori op het dashboard of aan het spiegeltje voor de voorruit bungelen. In huis vindt men een omamori bij de huisschrijn en ook in veel dojo bevindt zich een omamori bij de schrijn. Omamori betekent dan ook letterlijk beschermer. 

Shu betekent zowel beschermen als gehoorzamen. Precies zoals een kind beschermd wordt door ouders maar ook de ouders gehoorzaamd. Ongehoorzame kinderen kunnen niet beschermd worden. Shu staat voor het eerste stadium van Budo-beoefening. De dojo is een beschermde plek waar de budoka zich zonder risico's van buitenaf zich kan bekwamen in een krijgskunst. De dojo is zo ingericht dat het direct een gevoel van veiligheid en een zekere sereniteit oproept. Zelfs zonder enige training krijgt een bezoeker al een gevoel van stabiliteit en zekerheid bij het betreden van de dojo. De leraar versterkt dit gevoel van stabiliteit en zekerheid door zijn ervaring en kennis. Ook de ouderejaars budoka spelen hierbij een belangrijke rol. Van hen krijgen beginners vaak de eerste aanwijzingen en uitleg over bijvoorbeeld de etiquette die bij de dojo hoort. De uitingen van etiquette (reigi) zijn daarbij geen lege vormelijkheden maar zijn vormen van hoffelijkheid en respect die gericht zijn op het behoud van het beschermende karakter van de dojo. Het is door deze beschermende atmosfeer dat de leerling vorderingen kan maken in de kunst. Daarbij is het belangrijk dat de leerling open staat voor de aanwijzingen van de leraar en dat de leerling de leraar vertrouwt en gehoorzaamt. In het "shu" stadium ziet de leerling af van een eigen interpretatie maar tracht de leraar tot in de kleinste details na te volgen (leren door te imiteren, door na te doen of om een westers kunstfilosofisch begrip te gebruiken; door mimesis). Het komt voor dat de leerling oefeningen staat te doen of taken krijgt om te doen die geen klaarblijkelijke relatie hebben met de krijgskunst die hij wil leren. Het "shu" stadium herinnert aan de wijze waarop ook in het westen vroeger de ambachtslieden iemand in de leer namen. De leerling was de eerste tijd voornamelijk bezig met het schoonmaken van de werkruimte. En de eerste lessen bestonden uit simpele dingen die niets met de echte kunst of ambacht leken uit te staan. Ongemerkt legt de leerling in dit "shu" stadium het fundament om tot de kern van de kunst te komen. Shu duidt ook op het beschermen van het materiaal, van het curriculum aan technieken. In het shu stadium is het niet de bedoeling dat de leerling dingen toevoegt aan de oefeningen die hij leert en evenmin dat hij dingen weglaat ("dit werkt niet", "deze vind ik niet leuk", "deze techniek is voor mij te zacht/ te hard"). Het gaat er juist om dat de leerling het curriculum aan technieken ongeschonden laat en ze deze in de oorspronkelijke vorm eigen maakt.
Ha
Frustreren, verbreken.
Onvermijdelijk breekt er voor elke budoka die vordert op de weg een periode aan van frustratie. Het gevoel te hebben dat niets meer lukt, dat alles al zo vaak gedaan is en dat alles maar hetzelfde blijft. De budoka voelt zich onhandig, het gevoel van zekerheid dat aanvankelijk alleen maar leek te groeien en te groeien lijkt verdwenen. Daarvoor in de plaats komt een gevoel van opstandigheid, van kritiek van frustratie. De vergelijking dringt zich op met de puberteit. De jongere heeft de ouders in veel vitale opzichten nog heel erg nodig en is tegelijkertijd in zoveel andere opzichten al zo zelfstandig. Het is een periode van frustratie voor zowel de leraar als de leerling. Want ofschoon de leerling nog lang niet volleerd is en baat zou hebben bij de, wellicht laatste, aanwijzingen van de leraar, het kost hem moeite om te gehoorzamen. De aanwijzingen lijken hem tegenstrijdig of het eerder geleerde tegen te spreken. De leerling twijfelt aan de leraar. De leerling twijfelt aan zichzelf. Toch is dit niet zondermeer een negatief stadium. "Ha" is ook het stadium dat de leerling technieken zich eigen begint te maken en niet uitsluitend leert van de leraar, maar ook door eigen ervaring. De leraar moedigt hem aan ook elders ervaringen op te doen. Hierdoor ontmoet de leerling andere beoefenaars die mogelijk een andere benadering van de kunst hebben. Ook dit kan frustrerend zijn, maar zijn kennis en ervaring neemt toe en daarmee zijn zelfvertrouwen. Hij wordt zich ook bewuster van de wijze waarop hij beginners helpt met de eerste stappen op de weg.
Ri
Vrijbreken, loslaten, weggaan.
Het stadium "Ri" wordt wel vergeleken met de verhouding tussen ouder en een volwassen zoon of dochter. De budoka heeft zich de kunst eigen gemaakt. Aan zijn manier van bewegen is vaak genoeg nog wel te zien wie zijn leraar was, maar de bewegingen zijn niet langer aangeleerd. Ze komen uit zichzelf van zichzelf. De mist van de twijfel is misschien niet voorgoed weggetrokken maar als deze opkomt dan is het niet langer bedreigend of verwarrend. Het zijn momenten geworden waar de budoka van leert en die vaak voorafgaan aan hernieuwde inzichten en aan groei. De lessen van zijn leraar zijn hem nog onverminderd van nut in de beoefening van de kunst, maar zijn leraar hoeft hem niet langer de techniek voor te doen om te kunnen oefenen. Respect en genegenheid voor de leraar is groter dan ooit, maar zijn voortdurende aanwezigheid is niet langer een absolute voorwaarde om zinvol te kunnen oefenen. De leerling is volwassen geworden, zoekt zijn eigen weg en de leraar laat los.
Ku
Leegte, niets.
Tenslotte is er nog een laatste stadium dat beschouwd wordt als verborgen kennis of wijsheid (okuden) en dat aan de leerling uitsluitend mondeling wordt overgedragen. Dit laatste stadium, het hoogst bereikbare staat bekend als Ku, leegte, niets.



Shu Ha Ri is a classical principle that describes in an excellent way the process of learning, the mastery of a skill. It is attributed to the seventeenth century samurai Sekiun Harigaya Usai. Originally it related to the skills of the samurai, but nowadays it is as applicable to all traditional Japanese arts.
Shu Ha Ri does not outline a linear progression, but a more cascading spiral growth. During his development the student goes through the process of Shu Ha Ri again and again, but each time at a different level.
Shu
The character Shu can also be pronounced as "Omamori". An omamori is an amulet made
​​by a Shinto priest and which gives the carrier or the room where the Omamori is placed a year-long protection against disease and misfortune. In Japan, often such an Omamori is seen dangling on the dashboard or on the mirror to the windshield of a car. In the house you will find an Omamori at the home shrine and in also in many dojo an Omamori can be found at the kamidana.  Omamori literally means protector.

Shu means both protection and obedience. Just as a child is protected by its parents when it obeys his parents.  Disobedient children can not be protected. Shu represents the first stage of budo practice. The dojo is a protected place where budoka without physical risks can become proficient in a martial art. The dojo is arranged so that a sense of security and a certain serenity is evoked.  Even without any training already a visitor gets a sense of stability and security when entering the dojo. The teacher reinforces this sense of stability and certainty through his experience and knowledge. The older students also play an important role. Of these senior students beginners often receive the first clues and explanations as to the etiquette associated with the dojo. The expressions of etiquette (reigi) are no mere empty forms,  but are forms of courtesy and respect aimed at preserving the protective nature of the dojo. It is through this protective atmosphere that one can create the art.  It is important that the student is open to the instructions of the teacher and that the student trusts and obeys the teacher. In the "shu" stage, the student waives his own interpretation but tries to the smallest details to follow (learning by imitation, by imitating or to use a Western philosophical concept, through mimesis) the teacher. It may happen that the student performs exercises or does tasks  that initially to him have no apparent relationship with the martial art that he wants to learn. The "shu" stage is also wellknown in methods of the western medieaval craftsmen. During the first months of apprenticeship the student was primarily engaged in cleaning the workspace. And the first lesson consisted of simple things that had nothing to do with the art or craft. Without realising it the student is in the "shu" building a solid foundation for the next step that will lead to the core of the Art. Shu includes protecting the basic material, the curriculum of basic techniques. During the shu stage the student does not add anything to the art or to any of its exercises,   nor does he omits things ("this does not work", "I do not like this", "this technique is too soft for me / too hard "). The whole point is that the student takes in the curriculum unperturbed and they make it their own in its original form.
ha
Frustrate, break.  
Inevitably  for every budoka that progresses on the path there comes a period of frustration. To have the feeling that nothing works anymore, that everything appears an endless repetition of the same, and that there is no progress. The budoka feels awkward, the sense of security that initially seemed only to grow seems to have disappeared. Instead of security comes a sense of  rebellion, criticism and frustration. A comparison can be made with puberty. The child needs  his  parents in many vital ways still very much and at the same time in other ways he is becoming so independent. It is a period of frustration for both the teacher and the student. While the student is still not proficient, and would benefit from the perhaps the last instructions of the teacher, the student finds it difficult to obey. The instructions seem to contradictory of everything  previously learned.  The student comes to doubt the teacher. The student doubts himself. Yet this is not necessarily a negative stage. "Ha" is the stage where the student’s techniques are beginning to become his own instead of only copied from his teacher.  The teacher may encourage him to go elsewhere  to gain experiences. As a result, the student meets other practitioners who may have a different approach to the art. Again, this can be frustrating, but his knowledge and experience increases, as does his confidence. He is also becoming more aware of the way he helps beginners with the first steps on the road.
ri
Breaking free, letting go, leave.
The stage "Ri" is likened to the relationship between parent and an adult son or daughter. The budoka has made
​​the art their own. Though in his way of moving one can still recognise who his teacher was,  the movements are no longer taught. They come of their own accord. The fog of doubt may not be permanently gone, but when it comes it is no longer threatening or confusing. It becomes a moment where the budoka learns and it often precedes renewed insight and growth. The lessons of his teacher are no less useful in the practice of the art, but his teacher no longer needs to show the techniques  in order to practice them.  Respect and affection for the teacher is greater than ever, but his continued presence is no longer a prerequisite to practice meaningful. The student has grown up, finds his own way, the teacher lets go.
Ku
Emptiness, nothing.
There is a final stage which is considered as hidden knowledge or wisdom (Okuden) and is transmitted orally only.  This final stage, the highest attainable is known as Ku, emptiness, nothing.

Tom Verhoeven.
Auvergne, winter 2012  

woensdag 4 januari 2012

Kibishisha

Kibishisha is te vertalen met nauwgezetheid, gestrengheid, striktheid, inzet, intensheid.
Niet zelden worden mensen tegenwoordig verwend en gemakzuchtig door een veilig en comfortabel leven. Men kan zich weinig of geen voorstelling maken van de ontberingen van een krijger in vroeger tijden. Noch van de moeite die een krijger zich moest getroosten om zich de kunst eigen te maken. Het gevolg is dat velen al te gauw de moed opgeven en hun training staken. Het is voor de aikidoka van groot belang dit te overkomen en de volhardendheid en vastberadenheid te ontwikkelen die nodig is om werkelijke tegenslagen of ontberingen te overwinnen. Daarom wordt in Aikido kibishisha benadrukt; inzet, intensiteit en discipline (regelmatig trainen) zijn essentieel voor verdere ontwikkeling.
Drie belangrijke elementen van kibishisha:
  1. Wees onderzoekend en nieuwsgierig. Stel vragen.
    Waarom zou men gedisciplineerd en intensief moeten trainen?
    Wat is het doel van kibishisha?
  2. Wees enthousiast.
  3. Raak echt betrokken in je training, laat je er helemaal door in beslag nemen en wordt dat wat je doet.
Tanren
Tanren duidt op training, maar is letterlijk te vertalen met smeden en polijsten. Wanneer een smid een zwaard smeedt dan wordt het metaal eindeloos vaak dubbelgevouwen, uitgesmeed en opnieuw gevouwen zodat zich laag op laag vormt. Als dan het zwaard zijn eigenlijke (shi zen) vorm heeft, dan begint het polijsten (ren). Een lang aandachtig proces dat niet alleen bepalend is voor het uiteindelijke resultaat maar ook later geregeld nog herhaald wordt door de eigenaar van het zwaard. Ook voor de ervaren aikidoka geldt dat aan tanren nooit een einde komt.
  • Besef dat er tijd overheen gaat eer Tanren gerealiseerd wordt.
  • Groei komt voort uit telkens weer proberen. Voortdurend pogen werkt cumulatief.
  • Het overkomen van tegenspoed is een voorwaarde en een noodzaak. Geef niet op als het tegenzit of als je met een blessure kampt.
  • Ga vriendschappelijk met elkaar om. Erken de ander zijn vaardigheid en zijn beperkingen. Help elkaar te groeien.
Vijf belangrijke elementen van Tanren
  1. Spontaniteit en motivatie
  2. Continuiteit en regelmaat
  3. Planning (stel jezelf doelen; bijvoorbeeld een examen) vorm jezelf een overzicht van technieken en manieren van trainen.
  4. Bedrevenheid. Probeer je echt te bekwamen in de technieken van Aikido en deze niet alleen maar na te doen.
  5. Vriendschap en menselijkheid. Om te kunnen groeien en te kunnen ontwikkelen heb je de ander nodig. Zet een techniek nooit te hard in. De mensen waar je mee traint zijn niet je vijanden, de training is geen gevecht. Allen streven hetzelfde doel na; groeien in en door Aikido.
Veiligheid gedurende training

Het beoefenen van Aikido is niet altijd veilig. Of misschien beter gezegd; er is altijd een risico aanwezig. Het streven dan, zou er niet op gericht moeten zijn van een gevaarlijke situatie naar een veilige te gaan, maar veeleer om een gevaarlijke situatie te voorkomen. Het je eigen maken van gedrag, geesteshouding en technieken die voldoen aan dit streven naar veiligheid is ook een vorm van oefenen in Aikido


Wat training betreft; veiligheid is noodzakelijk.
Wat veiligheid betreft; training is noodzakelijk.
(naar de Aikido trainingstekst, Aikikai Aikido so hombu dojo, Tokyo)
Tom Verhoeven.
Auvergne, winter 2012

It's a lot like dancing...


Strength has more to do with intention, than with the size of your biceps.
It has more to do with your Spirit and your energy flow than with the numbers of push-ups you can do.
Terry Dobson
Ueshiba Morihei O Sensei en Terry Dobson

It’s a lot like dancing…
Het heeft veel weg van dansen. Hoe meer tijd en energie je stopt in het leren van de stappen des te minder vreugde heb je van het dansen. Anderzijds, als je de stappen niet kent en je bent een en al vreugde dan ben je niet erg artistiek. In het benaderen van de kunst zal ieder van ons moeten leren een balans te vinden tussen het leren van de stappen en het genieten van de muziek. Iedere leraar geeft les op een andere manier. Het komt mij voor dat in het begin de nadruk ligt op het leren van de stappen en ik denk dat dat goed is. Maar na verloop van tijd is het belangrijk te beseffen dat de muziek ook essentieel is. Voel de muziek en laat jezelf meegaan in de sensatie van de worp, zonder je zorgen te maken over de verschillende elementen. Ga mee met de stroom. Uiteindelijk zul je je moeten losmaken van de technieken en jezelf laten gaan. En dat te doen is beslist eng. Bedenk dat het een krijgs-"kunst" is. Te vaak wordt het woord "krijgs-" te veel benadrukt en het woord "kunst" te weinig.
Terry Dobson.
 
Bovenstaande tekst is ontleend aan "It's a lot like dancing...", een boekwerk gevuld met mooie teksten en foto's van de in 1992 overleden Terry Dobson, de eerste niet-Japanse uchi deshi van O Sensei. Terry Dobson was zeer onder de indruk van Ueshiba O Sensei en volgde zijn lessen gedurende meer dan tien jaar. Terug in Amerika gaf hij op inspirerende wijze les in Aikido en in toepassingen van Aikido, waarover hij publiceerde in het boek "Attack-tics" dat in herdruk verscheen onder de titel "Aikido in Everyday Life - giving in to get your way".
 
In zijn lessen en teksten benadrukte hij telkens dat Aikido meer is dan een krijgskunst; het is een kunst, een manier om conflicten op te lossen, een filosofie, een manier van leven, een weg naar vrede. En dat het niet alleen theorie is maar iets dat elke dag in praktijk gebracht kan worden op alledaagse dingen. Een van zijn teksten, dat bekend geworden is als “het treinverhaal”, is een van de bekendste Aikido verhalen geworden, welhaast legendarisch omdat het verscheen in tijdschriften als readers digest, het in verschillende andere publicaties werd opgenomen en zelfs onderwerp werd van een film-documentaire.
"It's a lot like dancing" is een terechte en geslaagde ode aan Terry Dobson en een uitzonderlijk boekje dat eigenlijk een plekje verdient in elke Aikido-bibliotheek.
O Sensei en Terry Dobson
Terry Dobson
It's a lot like dancing...
an Aikido journey
Utgegeven door Frog Ltd. Berkeley, California 1993.

 
Tom Verhoeven
Auvergne,  winter 2012

dinsdag 3 januari 2012

Nage waza


Aikido bestaat uit katame waza, technieken om iemand met een greep naar de grond te brengen en uit nage waza, technieken om iemand te werpen. Aikido kent een ongekend aantal variaties op deze worpen, maar de belangrijkste worpen zijn; Shiho nage, Irimi nage, Tenchi nage, Kote gaeshi, Kaiten nage en Kokyu nage.

Shiho nage
De vier windrichtingen worp. Aanvankelijk leert de beginnende aikidoka twee mogelijkheden om de techniek uit te voeren; naar voren bewegend en naar achter bewegend. De meer gevorderde aikidoka leert vier verschillende mogelijkheden, elk gericht naar een andere windrichting. Uiteindelijk ontdekt de aikidoka dat shiho nage in alle richtingen uitgevoerd kan worden.
Shiho nage uitgevoerd door Ueshiba Morihei O Sensei

Irimi nage
De techniek wordt ingaande worp genoemd omdat shite aan het begin of aan het eind van de beweging direct op aite lijkt in te bewegen. Het is een spiraalvormige beweging die mits goed uitgevoerd er heel esthetisch uitziet. Aite draait om shite heen en wordt in zijn beweging opgenomen.
Irimi nage door Ishimoto shihan van Kumano Juku Dojo
Anno Motomichi shihan, dojo cho Kumano Juku Dojo; irimi nage

Tenchi nage
Hemel en Aarde worp. De techniek wordt uitgevoerd met het gevoel dat men met een hand naar de hemel en met de andere hand naar de aarde reikt en deze met elkaar tracht te verbinden. In wezen is tenchi nage een variatie op irimi nage.
Anno Motomichi sensei; tenchi nage
Kote gaeshi
Met een enkele handomdraai wordt aite naar de grond geworpen. Kote gaeshi wordt gewoonlijk ingedeeld bij de nage waza, maar er is eenvoudig een vorm van katame waza te maken. Het zou dus bij allebei ingedeeld kunnen worden.

Kaiten nage
Wentel worp. Een bijzondere worp waarbij aite als het ware ondersteboven gekeerd wordt door shite. Voor aite zeker niet de makkelijkste techniek, wel een van de mooiste worpen van Aikido om te zien.

Kokyu nage
Adem worp. Shite gebruikt hier zijn kokyu ryoku om aite te werpen. Er bestaan talloze variaties en toepassingen op kokyu nage. Omdat shite hier geen grepen of klemmen kan toepassen is het de ideale techniek om Aiki te ervaren.
Sandai doshu Moriteru Ueshiba sensei; kokyu nage

Tom Verhoeven

Auvergne,  winter 2012

Katame Waza


Alle grote kunsten hebben een kleine basis. Aikido vormt daar geen uitzondering op. De belangrijkste technieken van Aikido zijn gebaseerd op vijf vormen van katame waza en vijf vormen van nage waza.
Het woord katame waza is te vertalen met controle technieken, technieken om iemand vast te houden. We spreken ook wel van kansetsu waza, technieken om de gewrichten te manipuleren. Opvallend is dat de katame waza van Aikido geen enkele verwantschap vertonen met de katame waza van Judo of met houdgrepen in worstelen.  Dit heeft een historische oorzaak. De katame waza van Aikido komen voort uit de vaardigheden van de samurai om iemand te ontwapenen en om iemand naar de grond te brengen en hem lang genoeg onder controle te houden om een zwaard of mes te trekken of om hem vast te kunnen binden. De katame waza van Judo daarentegen zijn een moderne ontwikkeling bedoeld om van iemand te winnen in een sportieve wedstrijd.
Er zijn vele variaties mogelijk op de basis katame waza. Soms verandert de techniek door de manier van aanvallen door aite.
In Aikido zijn er drie posities waarin de techniek uitgevoerd kan worden: Beide partners zitten; suwari waza. Een partner zit, een staat; hanmi handachi waza. En beiden staan; tachi waza. Alle technieken worden zowel links als rechts geoefend. En alle technieken kennen de mogelijkheid om uitgevoerd te worden terwijl men naar voren beweegt (omote) en terwijl men naar achter beweegt.  

De vijf katame waza van Aikido worden ook wel de gokyo genoemd (ook Judo kent zijn gokyo). Kyo is te vertalen met les of principe. Daarvoor komt een getal te staan, het woord dai is vergelijkbaar met onze vervoeging van getallen; een – eerste, twee – tweede, etc. Ikkyo kan vertaald worden met les een. Dai Ikkyo betekent eerste les.
Dit zijn de vijf katame waza van Aikido:

Dai Ikkyo
De omschrijving van de techniek luidt; ude osae, het vastpakken van de onderarm. De arm wordt gebruikt om aite naar de grond te brengen en om hem daar even te houden.   
O Sensei met de Franse Aikido leraar Andre Nocquet; dai ikkyo

Dai Nikyo
De omschrijving van de techniek luidt; kote mawashi, het draaien van de middenhand. Een techniek om met enig beleid en met subtiliteit uit te voeren. Te hard of te grof ingezet kan dit een techniek zijn die langdurige blessures teweeg brengt. Een snelle uitvoering van de techniek, zoals getoond op de foto, vergt ook een snelle ukemi van aite. Indien deze daar niet toe in staat is of onbekend is met de hiervoor nodige ukemi dan kan de techniek buitengewoon pijnlijk zijn.
Een indicatie dat de techniek goed is uitgevoerd is niet alleen dat het pijnlijk aanvoelt, maar vooral ook dat de pijn als shite loslaat vrijwel meteen verdwijnt. Pijnlijke armen of blauwe plekken achteraf duiden er op dat men geoefend heeft met iemand die de techniek nog niet beheerst.  
Dit is geen techniek voor kinderen. Om dat zij nog in de groei zijn kan deze techniek nadelige gevolgen hebben voor hun ontwikkeling. 
Auteur met dynamische uitvoering van dai nikyo

Dai Sankyo
De omschrijving van de techniek luidt; kote hineri, het schroeven van de middenhand. Een pijnlijke techniek om iemand in beweging te krijgen en naar de grond te krijgen.
Ook deze techniek is niet geschikt voor kinderen.
Morihiro Saito shihan; dai sankyo

Dai Yonkyo
De omschrijving van de techniek luidt; tekubi osae, het vastpakken van de pols. Hier wordt een drukpunt gebruikt om iemand naar de grond te brengen. De techniek is vergelijkbaar met de manier waarop men een bokken vasthoudt en er een rechte slag mee maakt.
Geen techniek voor kinderen.
Goze Shioda sensei; dai yonkyo

Dai Gokyo
De omschrijving van de techniek luidt; ude nobashi, het overstrekken van de arm. Ook dit is een techniek die met enige voorzichtigheid geoefend moet worden. De overstrekking van de arm kan blessures aan met name het ellebooggewricht opleveren. In de meeste dojo wordt de overstrekking dan ook achterwege gelaten en wordt direct overgegaan tot de eindklem.
Geen techniek voor kinderen.

Tom Verhoeven

Auvergne,  winter 2012

maandag 2 januari 2012

De inrichting van de dojo



Er zijn ruimtes die een bepaalde sfeer oproepen die je zou kunnen omschrijven als sacraal, als spiritueel of als klassiek. In de Auvergne ken ik een klein middeleeuws kapelletje gebouwd door de tempeliers en gewijd aan Maria Magdalena dat zo’n sfeer heeft. Het is een plek die je met eerbied betreedt, een plek die uitnodigt om stil te zijn en in gebed of meditatie te verzinken. Zo’n ruimte is ook de kathedraal van Vezelay, het is groots en indrukwekkend, zijn lange geschiedenis is in alles om je heen zichtbaar. Hier wil je lopen met zachte tred, zo min mogelijk praten en alleen maar kijken. Soms vind je zo’n bijzondere sfeer ook terug in een museum, het binnengaan bij het Rijksmuseum in Amsterdam vond ik vroeger al bijna net zo magisch als het binnengaan van de kerk in de kerstnacht. Het langs de schilderijen en andere kunstschatten dwalen versterkte de betovering.
Er zijn gebouwen die een geheel andere sfeer oproepen, denk bijvoorbeeld aan een treinstation. Er is overal beweging, het is er rumoerig en druk, treinen komen en gaan, reizigers drommen samen om vervolgens een verlaten perron achter te laten, er is veel gaande op zo’n station – soms spannend, en net zo vaak benauwend. De theaterschool in Amsterdam waar ik af en toe kwam riep weer een andere sfeer op – een groot gebouw waarin het makkelijk verdwalen was. En er heerste een sfeer van geconcentreerd werken, van intensief oefenen, van frustratie als dansers worstelden met de oefenstof of een choreografie maar niet tot zijn recht kwam, en tegelijkertijd een sfeer van bruisende soms hectische opwinding die bij nieuwe ontdekkingen en creativiteit hoort.

Zulke plekken die een bijzondere sfeer oproepen vind je ook terug in de natuur. En daar komt de oorspronkelijke betekenis van het woord dojo vandaan. Het is de plaats in de natuur waar de do (michi) zich het helderst openbaard. Zo’n plek werd soms gemarkeerd door een steen, door een beeld of door het bouwen van een Jinja (schrijn).        
Het kon ook de plek worden voor het houden van een ceremonie, voor meditatie of voor de beoefening van een van de kunsten. Hier in het land van de Averni werd zo’n natuurlijke sacrale plek een nemeton genoemd.
In Japan verschenen er in de nabijheid van zo’n plek gebouwen die speciaal bedoeld waren voor de beoefening van Budo. Deze dojo werden zoveel mogelijk gebouwd met natuurlijke materialen en werden bewust zo eenvoudig mogelijk ingericht. Deze natuurlijke eenvoud die in het Japans wabi-sabi genoemd wordt, creeert al een bijzondere ambiance. Daarnaast zijn er een aantal dingen die in de dojo niet mogen ontbreken en evenzeer aan de sfeer bijdragen.

Tatami  Het eerste dat bij het betreden van de Aikido dojo op valt is dat er matten op de vloer liggen. Tegenwoordig worden overal schuimrubber matten gebruikt (bij voorkeur met daar onder een verende vloer). Voorheen werden in Japan gevlochten rijststromatten (tatami) op een houten vloer gebruikt. De Kumano Juku Dojo in Japan heeft nog altijd deze matten liggen. De matten zijn bedoeld om bij worpen de val enigszins te verzachten. Vroeger beschikten de dojo echter niet altijd over tatami, er werd getraind (en geworpen!) op de houten vloer. 

De vier muren van de dojo hebben een eigen betekenis; de belangrijkste muur staat gericht naar het westen of als dit niet mogelijk naar het noorden. Deze muur wordt de kamiza genoemd, de hoge zijde (hier wordt niet het kanji voor kami, goden gebruikt maar de kanji voor boven of hoog). De muur ertegenover wordt de shimoza genoemd, vaak bevind zich de ingang van de dojo in deze muur. De muur aan de rechterzijde van de shimoza wordt de kamiseki genoemd, de hoge kant en de muur aan de linkerkant van de shimoza wordt shimoseki, lage kant, genoemd.

In de muur van de kamiza is een kromme balk verwerkt die duidelijk zichtbaar is. De kromme balk verwijst naar een bekende uitspraak van Boeddha.

Kamidana
Midden in de kamiza bevind zich de kamidana.
De kamidana is een kleine uitvoering van een Shinto schrijn gebruikt voor in huis, voor de plek waar men werkt en voor de dojo. Uiterlijk oogt het meestal ook hetzelfde als de grote Jinja. In de kamidana bevind zich een object, een shintai (verheven lichaam) of mitamashiro (spiritueel object), dat symbool staat voor de aanwezigheid van de kami. Zonder dit symbool verliest de kamidana zijn betekenis. Het symbool kan bijvoorbeeld bestaan uit een bronzen spiegel, een bijzondere steen (juweel), een door een kannushi vervaardigt object zoals de Ofuda of een ander object dat het waard is om er eerbiedig en aandachtig mee om te gaan. 
Boven de kamidana kan een shimenawa (een van stro gevlochten touw) gehangen worden. Aan weerszijden van de kamidana kunnen zich kleine lantaarns bevinden en vaasjes met takken van de sakaki-boom Voor de kamidana kan men schaaltjes met offers zoals water en zout plaatsen. Wanneer men een diploma of ander document van waarde heeft ontvangen dan is het gebruikelijk om deze bij wijze van dankzegging neer te leggen bij de kamidana.  
De buiging die we bij aanvang en afsluiting van de les maken is gericht naar de ware geest van Aikido die gesymboliseerd wordt door de kamidana. Het is een buiging van eerbeid en dankbaarheid voor het leven zelf.
Kamidana (miniatuur schrijn)

Fuda (of portret)
Aan de kamiza stond vroeger een houten paneel met daarop gecalligrafeerd de naam van de grondlegger van de dojo en indien het om een al langer bestaande dojo ging daarnaast houten panelen met de namen van diens opvolgers. Tegenwoordig is de fuda vervangen door een fotoportret of een gepenseelde afbeelding.
De buiging die we bijvoorbeeld maken bij aanvang van de les is niet bedoeld voor het portret, het is ook geen vorm van verheerlijking van de persoon op het portret. Het is een geste van eerbied en dankbaarheid voor de grondlegger en voor alle leraren die ons voorgegaan zijn op dit pad. Door het maken van een oprechte buiging erkennen we de traditie en de geschiedenis van Budo en geven we aan dat we bewust zijn van het gegeven dat we zelf deel uitmaken van die traditie en die geschiedenis.     

Kakejiku of kakemono
De overdracht van de traditie gebeurt van leraar tot leerling. Bij de overdracht (shoden) ontvangt de leerling een (of meer) gecalligrafeerde tekst(en). Deze tekst komt in de vorm van een kakejiku ingelijst in de dojo te hangen. De meest gebruikelijke plek is daarvoor de kamiza. Beschikt de dojo over meerdere teksten dan kan ook de shimoza gebruikt worden om kakejiku of kakemono aan op te hangen.  

Taiko
Voor de kamiza bevind zich de taiko (grote trommel). Met het slaan op de taiko wordt, net als met het klappen in de handen,  de aanwezigheid van iedereen aan de kami kenbaar gemaakt. De taiko werd vroeger ook gebruikt om mensen op te roepen bij dreigend gevaar. In Aikido wordt de taiko ook gebruikt om het begin en het einde van een embu (demonstratie) aan te geven.   

Tokonoma
Een deel van de kamiza, meestal een nis in de muur,  is voorbehouden voor het plaatsen van bijvoorbeeld een bloemstuk (ikebana) of een bonsai. Deze tokonoma weerspiegelt een verbondenheid met de natuur, met esthetiek en daarmee met ethiek. 

Daisho
De dojo cho kan zijn daisho (set van lang- en kort zwaard) plaatsen bij de kamiza. Aan de manier waarop de daisho geplaatst is kan men zien wat de stemming in de dojo is. De afbeelding toont de mooie kant van de daisho, dit duidt er op dat de aanwezigen in de dojo vertrouwd worden. Liggen de zwaarden andersom, dan zijn ze gereed om op elk gewenst moment getrokken te worden en daarmee wordt aangegeven dat er gevaar dreigt, dat niet iedere aanwezige het volle vertrouwen van de dojo cho heeft.  

Nafudagake
Een houten bord met daarop de namen van de leerlingen van de dojo. De namen staan vermeld op kleine houten panelen die op het bord gehangen of gespijkerd worden. De nafudagake kan geplaatst worden aan de shimoza of eventueel aan de shimoseki. De nafudagake weerspiegelt de traditie van de dojo. Aan de kamiza staan de naamborden van de leraren die ons voor gingen in de geschiedenis van de kunst, de shihan die les geven staan voor de huidige generatie en de leerlingen en de naambordjes van de leerlingen tonen de toekomst.
Een andere functie van de nafudagake is het zichtbaar maken van de namen van de leerlingen van dit moment en die van hen die in het verleden in de dojo trainden, maar nog altijd verbonden zijn met de dojo..  

Bukigake
In de dojo bevinden zich meestal meerdere wapenrekken waar de buki (wapens), de bokken en jo van de dojo hangen of waar de deshi hun eigen wapens kunnen ophangen. Deze bevinden zich meestal aan de shimo seki of de kami seki.

Het betreden van een dojo roept al een gevoel van sereniteit en alertheid op. De budoka beseft dat er hier iets te leren valt dat hij niet gauw elders zal aantreffen. De sfeer in de dojo scherpt zijn aandacht en maakt dat zijn ademhaling langzamer en dieper gaat. Hij komt tot het volle besef dat het om deze plek, om deze les, om dit ene moment en om dit ene treffen gaat – ichi go, ichi e, een ontmoeting, een leven.  

Tom Verhoeven

Auvergne, winter  2012