Pagina's

maandag 19 december 2011

Dai Shihan


 
Foto negentiende eeuwse samurai

In het feodale tijdperk, die in Japan duurde tot het eind van de negentiende eeuw, was de samenleving verdeeld in vier standen

  • Samurai
  • Boeren en vissers
  • Ambachtslieden
  • Kooplieden

Net als in Europa vormden de krijgers de hoogste klasse. Waar in Europa de boeren gezien werden als de laagste klasse, daar vormden de boeren en landlieden een eervolle klasse omdat ze voorzagen in voedsel voor iedereen.
De ambachtslieden vormden ondanks hun zeer gewaardeerde productiviteit en het nut van de producten die ze maakten (waaronder de wapens voor de samurai) toch een lagere stand dan de boeren.
De allerlaagste stand waar ook op neer gekeken werd gevormd door de kooplieden en winkeliers. Het was samurai niet toegestaan zich te mengen met deze stand, anders dan om benodigheden bij het te kopen.

Daarnaast waren er mensen die buiten deze vier standen vielen. Of omdat ze er boven stonden, zoals de shogun, de keizer, de Boeddhistische en Shinto priesters en monniken. Of omdat ze er onder stonden, zoals de eta, de bevolkingsgroep die werkten als slager of als leerlooier of als beul, taken die vanuit de Boeddhististische en Shinto traditie als onrein werden beschouwd. Of de hinin, de acteurs, barden, circusartiesten. En de veroordeelde misdadigers, prostituees, courtisanes.

Alleen de samurai was gerechtigd twee zwaarden te dragen. En alleen een samurai bekwaamde zich in de krijgskunst. De samurai was ook de enige die onderricht kreeg in letterkunde, filosofie, wetenschap, religie, staatskunde, administratie.  Aan de samurai werd ook de hoogste eisen aangaande hoffelijkheid en gedrag gesteld. Het was tevens zijn plicht toe te zien dat in het dagelijkse leven ook mensen van andere standen zich wellevend gedroegen, vooral naar leden van de krijgersstand.    

De meeste samurai waren van jongs af aan verbonden aan een bepaalde stijl (ryuha) van krijgskunst. Sommigen waren in de gelegenheid om zich te verdiepen in meerdere stijlen. Een enkeling van hen bleek zo vaardig en getalenteerd dat hij tot zijn eigen stijl wist te komen, een naam gaf aan zijn ryuha en deze overdroeg aan zijn leerlingen. Er zijn tal van ryuha verloren gegaan omdat de oorspronkelijke leermeester geen zonen of leerlingen had aan wie hij de kunst kon overdragen. De eisen die de leermeester stelde aan zijn leerlingen – zelfs als het zijn eigen zonen waren, waren hoog en liever zag hij zijn school verloren gaan dan dat hij een opvolger erkende die in vaardigheid en gedrag niet waardig bleek te zijn.
Om die zelfde reden werd niet iedereen toegelaten als leerling.

Het feodale tijdperk ligt inmiddels ver achter ons, maar dat betekent niet dat de toelatingseisen voor de traditionele dojo verminderd zijn. Men hoeft weliswaar niet langer voort te komen uit de samurai klasse, maar men verwacht wel van de nieuwe leerling dat deze zich zal gedragen naar het voorbeeld van de samurai.
Hoffelijkheid, bescheidenheid en toepassing van de formele gedragsregels (reigi) gelden nog steeds als vanzelfsprekend.
Kiichi Hine shihan

Om toe gelaten te worden tot de dojo van Aikido grondlegger Ueshiba Morihei O Sensei had de aanstaande leerling drie tot vijf aanbevelingsbrieven van vooraanstaande personen nodig.
Het kan ook voorkomen dat een dojo geen leerlingen meer accepteert. Er zijn verhalen bekend van jongemannen die naast de deur van de dojo plaats namen en er dagenlang bleven zitten in weer en wind tot ze toch werden toegelaten.  

De eerste stap op het pad is daarom het passeren van de toegangspoort (nyumon) van de dojo. Het is iets dat alleen de meest toegewijde leerling lukt. Hij wordt een montei, een monka of monjin genoemd, letterlijk iemand die de poort is doorgekomen. Maar dat betekent niet dat hij al geaccepteerd is in de dojo.
De eerste tijd oefent hij alleen als uke, dat wil zeggen dat hij met een partner traint, maar zich uitsluitend bekwaamt in het leren ondergaan van de techniek. Vervolgens leert hij de minder belangrijke technieken. Vroeger betekende dit dat hij basistechnieken van een andere school als oefening kreeg. Voor menige klassieke Japanse schermschool betekent het tegenwoordig dat men eerst de seitei gata leert en dan pas de technieken van de eigen school.

Kiichi Hine shihan met Kim Fok als uke
In de jaren die dan volgen krijgt de leerling steeds meer basistechnieken te oefenen. Oefenstof wordt eindeloos herhaalt en af en toe wordt er iets nieuws aan toegevoegd. Afhankelijk van het soort krijgskunst dat de school beoefent en afhankelijk van de vaardigheid van de leerling kan hij na zo’n vijf jaar van dagelijks trainen in aanmerking komen voor een eerste certificaat dat bekend staat als Oku iri. Oku iri is te vertalen met binnentreden in het verborgene. Het is vergelijkbaar met het moderne shodan, dat letterlijk begintrede of beginnersniveau betekent. Het duidt er op dat de leerling nu toegelaten wordt tot de echte krijgskunst van de dojo. Hier begint het serieuze oefenen. 

Na een aantal jaren van trainen komt de leerling in aanmerking voor Mokuroku. Letterlijk vertaald betekent het register, de leerling wordt nu geaccepteerd als leerling van de dojo en als zodanig ingeschreven in het register van de dojo. Ook in de dojo staat zijn naam voor iedereen zichtbaar op een naambordje.
Mokuroku kan bestaan uit meerdere opeenvolgende registers. Naarmate de leerling vordert wordt zijn naam in het volgende register opgenomen. De mokuroku kan ook een deel van het curriculum omvatten, zodat in het register bijgehouden kan worden welke technieken de leerling beheerst.

Densho en Mokuroku
Na Mokuroku volgt tenslotte Menkyo, dat letterlijk te vertalen is met certificaat. Het certificaat geeft aan dat men zich bekwaamd heeft in de krijgskunst van de dojo en dat de leerling bevoegd is om instructie te geven in deze krijgskunst.

Het laatste certificaat wordt Menkyo Kaiden (alles overgedragen) genoemd. Het is het certificaat waarmee wordt aangegeven dat de kunst als geheel aan de leerling is overgedragen. Deze overdracht gaat gepaard met het uitreiken van een densho of een makimono.
De bijbehorende titel is die van Dai Shihan of Shihan.

De shihan vormen de levende traditie en het levende voorbeeld (shi betekent persoon, han model of voorbeeld) van een dojo en van de krijgskunst die zij beoefenen en uitdragen.

Het begrip shihan bleek in het westen al tot veel misverstanden te leiden. Het begrip Dai Shihan leidde zo mogelijk tot nog meer verwarring. Ten onrechte meent men dat Dai hier groot betekent. Als men shihan met “meester” vertaalt, dan moet dai shihan wel Grootmeester betekenen. In Japan was dai shihan vooral een administratieve functie. Bij afwezigheid van de dojo cho werd zijn administratie bijgehouden door de dai shihan, die soms ook namens de dojo cho brieven verzond. Hij tekende dan namens de dojo cho. De kanji waarmee dai hier wordt geschreven is niet dat voor “groot” maar voor “in plaats van” of “namens”.

Tom Verhoeven

Auvergne, winter 2011

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen