Pagina's

donderdag 5 januari 2012

Shu Ha Ri


Kanji voor Shu Ha Ri
 Shu Ha Ri is een klassiek principe dat op uitmuntende wijze het proces schetst van leren, van het zich eigen maken van een kunst of vaardigheid. Het wordt toegeschreven aan de zeventiende eeuwse samurai Sekiun Harigaya Usai. Oorspronkelijk had het betrekking op de vaardigheden van de samurai, maar tegenwoordig wordt het als van toepassing gezien op alle traditionele Japanse kunsten.
Shu Ha Ri schetst geen lineaire vooruitgang, maar neigt meer naar een spiraalvormige trapsgewijze groei. Hierdoor komt de leerling in zijn ontwikkeling telkens weer Shu Ha Ri tegen, maar telkens op een ander niveau.
Shu
Het karakter Shu kan ook uitgesproken worden als "omamori". Een omamori is een amulet zoals dat door een Shintopriester gemaakt wordt en die de drager of de ruimte waarin de omamori geplaatst is een jaar lang beschermd tegen kwalen en ongeluk. In Japan ziet men in auto's vaak zo'n omamori op het dashboard of aan het spiegeltje voor de voorruit bungelen. In huis vindt men een omamori bij de huisschrijn en ook in veel dojo bevindt zich een omamori bij de schrijn. Omamori betekent dan ook letterlijk beschermer. 

Shu betekent zowel beschermen als gehoorzamen. Precies zoals een kind beschermd wordt door ouders maar ook de ouders gehoorzaamd. Ongehoorzame kinderen kunnen niet beschermd worden. Shu staat voor het eerste stadium van Budo-beoefening. De dojo is een beschermde plek waar de budoka zich zonder risico's van buitenaf zich kan bekwamen in een krijgskunst. De dojo is zo ingericht dat het direct een gevoel van veiligheid en een zekere sereniteit oproept. Zelfs zonder enige training krijgt een bezoeker al een gevoel van stabiliteit en zekerheid bij het betreden van de dojo. De leraar versterkt dit gevoel van stabiliteit en zekerheid door zijn ervaring en kennis. Ook de ouderejaars budoka spelen hierbij een belangrijke rol. Van hen krijgen beginners vaak de eerste aanwijzingen en uitleg over bijvoorbeeld de etiquette die bij de dojo hoort. De uitingen van etiquette (reigi) zijn daarbij geen lege vormelijkheden maar zijn vormen van hoffelijkheid en respect die gericht zijn op het behoud van het beschermende karakter van de dojo. Het is door deze beschermende atmosfeer dat de leerling vorderingen kan maken in de kunst. Daarbij is het belangrijk dat de leerling open staat voor de aanwijzingen van de leraar en dat de leerling de leraar vertrouwt en gehoorzaamt. In het "shu" stadium ziet de leerling af van een eigen interpretatie maar tracht de leraar tot in de kleinste details na te volgen (leren door te imiteren, door na te doen of om een westers kunstfilosofisch begrip te gebruiken; door mimesis). Het komt voor dat de leerling oefeningen staat te doen of taken krijgt om te doen die geen klaarblijkelijke relatie hebben met de krijgskunst die hij wil leren. Het "shu" stadium herinnert aan de wijze waarop ook in het westen vroeger de ambachtslieden iemand in de leer namen. De leerling was de eerste tijd voornamelijk bezig met het schoonmaken van de werkruimte. En de eerste lessen bestonden uit simpele dingen die niets met de echte kunst of ambacht leken uit te staan. Ongemerkt legt de leerling in dit "shu" stadium het fundament om tot de kern van de kunst te komen. Shu duidt ook op het beschermen van het materiaal, van het curriculum aan technieken. In het shu stadium is het niet de bedoeling dat de leerling dingen toevoegt aan de oefeningen die hij leert en evenmin dat hij dingen weglaat ("dit werkt niet", "deze vind ik niet leuk", "deze techniek is voor mij te zacht/ te hard"). Het gaat er juist om dat de leerling het curriculum aan technieken ongeschonden laat en ze deze in de oorspronkelijke vorm eigen maakt.
Ha
Frustreren, verbreken.
Onvermijdelijk breekt er voor elke budoka die vordert op de weg een periode aan van frustratie. Het gevoel te hebben dat niets meer lukt, dat alles al zo vaak gedaan is en dat alles maar hetzelfde blijft. De budoka voelt zich onhandig, het gevoel van zekerheid dat aanvankelijk alleen maar leek te groeien en te groeien lijkt verdwenen. Daarvoor in de plaats komt een gevoel van opstandigheid, van kritiek van frustratie. De vergelijking dringt zich op met de puberteit. De jongere heeft de ouders in veel vitale opzichten nog heel erg nodig en is tegelijkertijd in zoveel andere opzichten al zo zelfstandig. Het is een periode van frustratie voor zowel de leraar als de leerling. Want ofschoon de leerling nog lang niet volleerd is en baat zou hebben bij de, wellicht laatste, aanwijzingen van de leraar, het kost hem moeite om te gehoorzamen. De aanwijzingen lijken hem tegenstrijdig of het eerder geleerde tegen te spreken. De leerling twijfelt aan de leraar. De leerling twijfelt aan zichzelf. Toch is dit niet zondermeer een negatief stadium. "Ha" is ook het stadium dat de leerling technieken zich eigen begint te maken en niet uitsluitend leert van de leraar, maar ook door eigen ervaring. De leraar moedigt hem aan ook elders ervaringen op te doen. Hierdoor ontmoet de leerling andere beoefenaars die mogelijk een andere benadering van de kunst hebben. Ook dit kan frustrerend zijn, maar zijn kennis en ervaring neemt toe en daarmee zijn zelfvertrouwen. Hij wordt zich ook bewuster van de wijze waarop hij beginners helpt met de eerste stappen op de weg.
Ri
Vrijbreken, loslaten, weggaan.
Het stadium "Ri" wordt wel vergeleken met de verhouding tussen ouder en een volwassen zoon of dochter. De budoka heeft zich de kunst eigen gemaakt. Aan zijn manier van bewegen is vaak genoeg nog wel te zien wie zijn leraar was, maar de bewegingen zijn niet langer aangeleerd. Ze komen uit zichzelf van zichzelf. De mist van de twijfel is misschien niet voorgoed weggetrokken maar als deze opkomt dan is het niet langer bedreigend of verwarrend. Het zijn momenten geworden waar de budoka van leert en die vaak voorafgaan aan hernieuwde inzichten en aan groei. De lessen van zijn leraar zijn hem nog onverminderd van nut in de beoefening van de kunst, maar zijn leraar hoeft hem niet langer de techniek voor te doen om te kunnen oefenen. Respect en genegenheid voor de leraar is groter dan ooit, maar zijn voortdurende aanwezigheid is niet langer een absolute voorwaarde om zinvol te kunnen oefenen. De leerling is volwassen geworden, zoekt zijn eigen weg en de leraar laat los.
Ku
Leegte, niets.
Tenslotte is er nog een laatste stadium dat beschouwd wordt als verborgen kennis of wijsheid (okuden) en dat aan de leerling uitsluitend mondeling wordt overgedragen. Dit laatste stadium, het hoogst bereikbare staat bekend als Ku, leegte, niets.



Shu Ha Ri is a classical principle that describes in an excellent way the process of learning, the mastery of a skill. It is attributed to the seventeenth century samurai Sekiun Harigaya Usai. Originally it related to the skills of the samurai, but nowadays it is as applicable to all traditional Japanese arts.
Shu Ha Ri does not outline a linear progression, but a more cascading spiral growth. During his development the student goes through the process of Shu Ha Ri again and again, but each time at a different level.
Shu
The character Shu can also be pronounced as "Omamori". An omamori is an amulet made
​​by a Shinto priest and which gives the carrier or the room where the Omamori is placed a year-long protection against disease and misfortune. In Japan, often such an Omamori is seen dangling on the dashboard or on the mirror to the windshield of a car. In the house you will find an Omamori at the home shrine and in also in many dojo an Omamori can be found at the kamidana.  Omamori literally means protector.

Shu means both protection and obedience. Just as a child is protected by its parents when it obeys his parents.  Disobedient children can not be protected. Shu represents the first stage of budo practice. The dojo is a protected place where budoka without physical risks can become proficient in a martial art. The dojo is arranged so that a sense of security and a certain serenity is evoked.  Even without any training already a visitor gets a sense of stability and security when entering the dojo. The teacher reinforces this sense of stability and certainty through his experience and knowledge. The older students also play an important role. Of these senior students beginners often receive the first clues and explanations as to the etiquette associated with the dojo. The expressions of etiquette (reigi) are no mere empty forms,  but are forms of courtesy and respect aimed at preserving the protective nature of the dojo. It is through this protective atmosphere that one can create the art.  It is important that the student is open to the instructions of the teacher and that the student trusts and obeys the teacher. In the "shu" stage, the student waives his own interpretation but tries to the smallest details to follow (learning by imitation, by imitating or to use a Western philosophical concept, through mimesis) the teacher. It may happen that the student performs exercises or does tasks  that initially to him have no apparent relationship with the martial art that he wants to learn. The "shu" stage is also wellknown in methods of the western medieaval craftsmen. During the first months of apprenticeship the student was primarily engaged in cleaning the workspace. And the first lesson consisted of simple things that had nothing to do with the art or craft. Without realising it the student is in the "shu" building a solid foundation for the next step that will lead to the core of the Art. Shu includes protecting the basic material, the curriculum of basic techniques. During the shu stage the student does not add anything to the art or to any of its exercises,   nor does he omits things ("this does not work", "I do not like this", "this technique is too soft for me / too hard "). The whole point is that the student takes in the curriculum unperturbed and they make it their own in its original form.
ha
Frustrate, break.  
Inevitably  for every budoka that progresses on the path there comes a period of frustration. To have the feeling that nothing works anymore, that everything appears an endless repetition of the same, and that there is no progress. The budoka feels awkward, the sense of security that initially seemed only to grow seems to have disappeared. Instead of security comes a sense of  rebellion, criticism and frustration. A comparison can be made with puberty. The child needs  his  parents in many vital ways still very much and at the same time in other ways he is becoming so independent. It is a period of frustration for both the teacher and the student. While the student is still not proficient, and would benefit from the perhaps the last instructions of the teacher, the student finds it difficult to obey. The instructions seem to contradictory of everything  previously learned.  The student comes to doubt the teacher. The student doubts himself. Yet this is not necessarily a negative stage. "Ha" is the stage where the student’s techniques are beginning to become his own instead of only copied from his teacher.  The teacher may encourage him to go elsewhere  to gain experiences. As a result, the student meets other practitioners who may have a different approach to the art. Again, this can be frustrating, but his knowledge and experience increases, as does his confidence. He is also becoming more aware of the way he helps beginners with the first steps on the road.
ri
Breaking free, letting go, leave.
The stage "Ri" is likened to the relationship between parent and an adult son or daughter. The budoka has made
​​the art their own. Though in his way of moving one can still recognise who his teacher was,  the movements are no longer taught. They come of their own accord. The fog of doubt may not be permanently gone, but when it comes it is no longer threatening or confusing. It becomes a moment where the budoka learns and it often precedes renewed insight and growth. The lessons of his teacher are no less useful in the practice of the art, but his teacher no longer needs to show the techniques  in order to practice them.  Respect and affection for the teacher is greater than ever, but his continued presence is no longer a prerequisite to practice meaningful. The student has grown up, finds his own way, the teacher lets go.
Ku
Emptiness, nothing.
There is a final stage which is considered as hidden knowledge or wisdom (Okuden) and is transmitted orally only.  This final stage, the highest attainable is known as Ku, emptiness, nothing.

Tom Verhoeven.
Auvergne, winter 2012  

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen